Je camera meet licht niet zomaar. De meetmodus bepaalt welk deel van het beeld telt bij het berekenen van de belichting. Kies je de verkeerde modus, dan wordt je onderwerp plotseling te donker of te licht.
Er zijn vooral vier meetmodi in je camera. Ze bepalen welk deel van de foto de belichting bepaalt.
- Matrix- of evaluatieve meting: de camera verdeelt het beeld in zones en maakt een slimme afweging. Meestal de beste standaardkeuze voor landschap, straat en alledaagse foto’s.
- Centrumgerichte meting: de camera meet het hele beeld, maar het midden telt het zwaarst. Handig als je onderwerp centraal staat.
- Spotmeting: de camera meet alleen een heel klein puntje, vaak rond je scherpstelpunt. Ideaal bij tegenlicht of als één detail, zoals een gezicht, correct belicht moet zijn.
- Deelmeting: lijkt op spotmeting, maar meet een iets groter gebied, meestal rond 10 procent van het beeld. Nuttig als spot te nauwkeurig is en matrix te breed.
Daarnaast bestaat er een verschil tussen gereflecteerd licht meten, zoals je camera doet, en opvallend licht meten met een externe lichtmeter. Bij opvallend licht meet je het licht dat op je onderwerp valt, onafhankelijk van kleur of glans; dat is vooral handig in de studio.
De camera probeert alles naar gemiddeld grijs te brengen. Daarom wordt sneeuw vaak grijs en donker: je moet dan belichtingscompensatie gebruiken, meestal +1 tot +2 stop. Donkere onderwerpen worden juist vaak te licht; daar kies je voor min.
Praktische vuistregel: begin met matrixmeting. Ga je fotograferen bij tegenlicht, op een podium of met een onderwerp dat absoluut goed belicht moet zijn? Zet dan spotmeting aan. Controleer daarna altijd je histogram: rechts afgesneden betekent uitgebrande hooglichten, links betekent dichtgelopen schaduwen.
Reactie plaatsen
Reacties